Manager of buurman?

3 Feb

Hij zaaide wat hij oogstte
Want hij legde de lat het hoogste.
Nietsontziend ging hij te werk
En plunderde ook buurmans perk.
Plotsklaps zag hij daar het licht
Hij was voor de winst gezwicht.
Ach, hij zou zeggen dat het mooi schoon is
Maar ik hou wel lekker zelf de bonus.
Dus mensen, let op brood en kaas
Want pas op, daar komt de baas.
Oh hé, het kan hem wel wat schelen
Want het blijkt, hij doet aan delen
……aandelen.

Advertenties

De Telemarketering naar de nering zetten

26 Feb

De week is nog jong, maar inmiddels ben ik al twee keer gebeld door een telemarketeer van een callcenter. Ik vind dat niet eens echt vervelend, want die mensen werken hard en krijgen vaak een hoop telefonische bagger over zich heen, dus heb ik wel begrip voor het feit dát ze bellen. Maar hóe ze bellen, poeh. Als ik dat aanhoor voel ik me net Lui uit Kabouter Plop, want  “Ik word daar zo moe van”.

Zo werd ik gebeld door een telemarketeerster die vroeg naar degene die verantwoordelijk was, ze bedoelde is, degene die het was is weg, voor de EHBO-middelen in ons bedrijf. Sterker nog, ze kon iemand langsturen die ons vrijblijvend kon informeren over branchegerichte EHBO-middelen. Deze dame veranderde daarmee terstond voor mij in de verbanddoos en ik heb het gesprek daarom maar kort gehouden, verkeerd verbonden zeg maar, maar die landde niet bij haar. Echter, ik kon er vannacht niet van slapen. ‘Branchegerichte EHBO-materialen’. Wat moest ik me daarbij voorstellen? Ik werd er bang van. Al woelend en draaiend probeerde ik de slaap te vatten, en terwijl ik langzaam wegzakte drong het tot me door. Tuurlijk! Branchegerichte EHBO-middelen.

Pleisterwerk voor de stucadoor. De manager die het verband kwijt is. De bankmedewerker met een Pincet. De hekwerker met het gaasje. De doe-het-zalver. De dame met haar periode van het Rode Kruis. De Chinese kok met de Mi-tella. En natuurlijk de AED, die laat je niet in de steek. Helaas bleek ik haar nummer kwijt. Waar is nu mijn doekje voor het bloeden?

Met deze teleurstelling kwam ik vanmorgen op kantoor. Gelukkig rinkelde de telefoon al gauw. Het bleek helaas niet de EHBO-dame, maar een dame die mij betelemarketeerde namens een beveiligingsbedrijf. “Ja, bent u goed beveiligd?” “Ik ben geen Wilders, maar ik red me wel”. Nee, ze bedoelde het bedrijf. Dat heeft de huisbaas geregeld, mevrouw. Haar antwoord was dat sommige bedrijven dat ook nog zelf deden, extra, erbij. Mijn antwoord over dat die mensen dan ook een riem én bretels dragen snapte ze niet. Er kon wel iemand langskomen, maar ik was het niet verplicht. Niet verplicht? Dat mag ik hopen, zei ik. Ach tuurlijk, ze bedoelde dat ik niet… u weet wel wat ik bedoel. Ik dacht het beleefd te kunnen afronden door te zeggen dat qua bedrijf alles dik in orde. Ja oké, maar privé, bent u privé wel goed beveiligd, heeft u thuis camera’s, sloten, aansluiting bij de meldkamer en een alarminstallatie? Op mijn vraag of ze mij nu zakelijk of privé belde gaf ze aan “Beide, kan allebei”. Ik weet niet hoe, maar ik wurmde me los uit het gesprek. Gelukkig had dat niet zo’n goed slot.

 

Blij dat ik glij

25 Feb

Afgelopen week was ik met wintersport. Ik was niet de enige. Volgens mij was half Nederland op wintersport. Ik bedoel, je hebt file en file, maar deze file. Dit was een file voor het archief, zeg maar.

Afijn, eenmaal aangekomen zijn sommige gebeurtenissen dan toch wel weer anekdotisch. Bijvoorbeeld in de sportwinkel aldaar.

“Henk. Die roze of die witte? Die roze of die witte-e-e? Henk!”

“Ja. Uh. Je ziet toch dat ik met een helm op sta!”

“Ik zei toch dat ik dat pashokje inging?”

“Ik had bij München toch al gezegd dat ik een nieuwe helm most? Dus je wist het. Maar oké, joh. De rode”

“De rode? Ik hep geen rooie. Jeemig, man. Waar zit je”

“Hier”

“Met je gedachten. Eikel”

Of een stel op de berg, twijfelend hun eerstvolgende beslissing.

“Hé Aniet. Kijk dan”

“Oh Berry, daar gaak echniejaf”

“So nou ech wel nie normaal. Das harske soewesaaidol”

“Gruwelijk soewesaaidol. Dat doek echnie”

“Ja maar luister, mop. We motten, ‘kbedoel, we kennen nie trug. We zijn de point of no returren gewoon al vet voorbij, man”

“Ja jeemig. Nou ja, dan gaak maar. Toen ik met jou verkering kreeg ging mijn hele leven ook al op de helling. Ken dit er ook nog wel bij”

Of dan die vrouw die wel kan skiën en haar nieuwbakken vriend met te dure spullen mee de berg heeft opgenomen.

“Kom nou. Kom nou. KOM NOU. Om je stok heen. OOOMMM je stok heen. Niet het stokje ervoor steken! EROM heen. Ja, het is latsig….lastig…..nee, ik versprak me….nee, ik neem je niet in de maling. Kom nou. Glijden. Glij-den. Glij-hij-den. Ja. Glijden ja. Jij wilde toch die langere ski’s. Ik zei het toch. Glij nou. Om je stok heen. Maar nee hoor. Jij moest zo nodig weer eens niet luisteren. Ik snap nu wel dat je ex bij je weg is. IJ-DEL-TUIT. Maar skiën…. HO maar. En dan nu niet naar me luisteren…..Mijn vlinders verdwijnen nu ook als sneeuw voor de zon!”

Ik wilde nog wat vertellen over iemand die de lat te hoog legde en een snowboard voor zijn kop had, maar ik denk dat ik het hier maar bij laat. Terug de file maar weer in.

 

 

Kraamvisite

9 Jan

“Zo….!”

“Nou hè!!”

“Ja, ‘k dacht maar even hier komen staan.”

“Nou. Gelijk heeft u”.

“Ja, want je waait zowat uit je laatste verschoning”.

“Nou. Gelukkig heb ik thuis nog meer verschoningen”.

“Want da’k nog dacht van zou ik wel gaan. Naar de mart dan. En naar buiten. Want je weet maar nooit met dit weer. Toch? Vind ik, hoor tenminste”.

“Nee, maar wat u zeg. Want g’lukkig he’k zo scherm op me scootmobiel da’k beetje uit de wind ken zitten”.

“Ja en de nieuwslezer zei nog dat het ging waaien, maar dat van die rooie vin’k altijd zo’n vlaag verhaal. Doe u maar een pondje zacht verlegen. Niet te zacht en al zekers niet te pittig. Ken me man niet tegen. Ik wel, hoor, maar hij nie. Hij heb het aan z’n hart, meid, en dan die pittige kaas krijgt hij kloppingen van. Want ik zei nog neem dan smeerkaas, lekker jong, maar dat most ‘ie nie. Daar dorst ‘ie nie aan. Hij’s veel te bang dat ‘ie met zijn gebeef naast zijn boterham smeer in plaats van erop. Dus dan doen ik zacht verlegen en snijd ik ’t voor ‘m”.

“Als je kraam er zo nog maar staat”.

“Die kan wel wat hebben, mevrouw. Staat verankert en ook vast aan mijn bus”.

“Nou, dat ken je wel zeggen, maar je weet maar nooit”.

“Nee, mevrouw, je weet maar nooit. Anders nog iets?”

“Doe u maar…….heb u……effe kijken, hoor”.

“Doet u maar rustig aan, mevrouw”.

“Nou, niet té rustig, mevrouw. ‘K zit in me pauze en ik moet zo nog wat doen. As u het niet erg vind”.

“Jongeman, haastige spoed is zelden goed voor je hart”.

“Maar mevrouw, ik hou best van een beetje kraamvisite, maar ik sta vol op de wind, het druppelt in mijn nek, ik word op enkelhoogte door diverse scootmobielen aangetikt en ik heb honger”.

“Nou, kaasboer. Dan geef ik u maar gauw mijn bestelling. Doet u alstublieft 16 kilo jong verlegen gesneden. Gevacumeerd verpakt in pakjes van een ons. Graag de korstjes er al af. Jongeman, sneller dan dit kon ik echt niet bestellen. Tevreden, jongeman?”

“Mevrouw, sneller kon niet. Mag ik dan in de gauwigheid tussendoor even deze windeieren afrekenen, kaasboer? Ik heb het contant en gepast”.

“Zullen we het doen, mevrouw, voor ik aan de 16 kilo snijwerk begin?”

“Is goed, kaasboer”.

“Dank u wel, mevrouw”.

Carpe Diem

25 Okt

Daar zat Marty dan, op het bureau. Hij had een heerlijke dag. Het was mooi weer en hij was om te beginnen vanmorgen al bij de paarden geweest. Samen met hen had hij daar van zijn ontbijt genoten. Heerlijk met die beesten, effe lekker dat wei-gevoel. Hij voelde zich goed vandaag. Hij had de behoefte om zijn vleugels uit te slaan, even geen verleden, even geen toekomst, gewoon, lekker, in het hier en nu. Zo beleefde hij het nu ook op kantoor. Op de rand van het bureau overzag hij de mensen. Druk en voorover gebogen waren ze met hun werk bezig. Blijkbaar ging het goed, want er werd weinig gepraat. Daar ging iemand koffie halen, maar Marty hoefde niet. Hij moest vliegen, hij had een bezige dag voor de boeg. Onderweg naar buiten vroeg hij zich af hoe hij de rest van de dag zou aanvliegen. Maar plots had hij een onverwacht groot probleem. Een Force Field, een krachtveld van ongekende proporties hield hem tegen op de rand van het kantoor. Hij luisterde. Het zoemde niet, het gonsde niet. Hij kon er doorheen kijken, maar toch hield het hem tegen. Nog een keer, nog een keer. Brommend zette hij zich weer op het bureau. Hij overdacht een strategie, maar hier had hij nog niet eerder mee te maken gehad. Zijn net bedachte agenda liep nu al in de war. Geen paniek, geen paniek. Kalm blijven, dacht Marty. Recht omhoog en recht naar voren. Hij maakte vaart en boem, weer tegen het Force Field. Hoe deden die superhelden dat? En het gekke was, hij kon op het Force Field blijven zitten, het hield hem niet vast, het hield hem alleen maar binnen. Dat was in ieder geval een opluchting, hij kon het Force Field verkennen zonder dat hij gewond raakte. Hij begon zijn verkenningstocht over het Force Field. Er bleken grote, dikke bruine randen omheen te zitten. Hij verkende de randen, maar nergens was een opening. Hij gaf de moed op en ging in het midden van het Force Field zitten. Ah, daar is de krant. Alleen het enige wat hij ervan zag waren de woorden “gemeen” en “Dag” van de dubbelgevouwen Algemeen Dagblad, vlak voordat hij er door geraakt werd en het besef tot hem doordrong dat een eendagsvlieg nooit een weekdier zal worden.

Kleur bekennen

24 Okt

De Sint die zat te denken

Hoe bedien ik Nederland op zijn wenken?

Waarom legt men de link met slavernij?

En drijft dat iedereen tot razernij?

Tuurlijk was Nederland koloniaal

Dat weten we toch allemaal

Maar waarom dan toch zoveel verzet

Tegen die enorme kinderpret

We zijn toch niet meer ‘overzee’

En verbouwen in den vreemde ook geen thee

Sterker nog, we vangen vluchtelingen op

En bouwen samen hun bestaan weer op

De Sint krabde zich nog eens achter zijn oor

Hij snapte er echt niks van, hoor

We zijn toch allemaal gelijk

Maar wat gaat onze geschiedenis nu door het slijk

We mogen het niet meer hebben over Medelander

Nee, iedereen is Nederlander

Het woord allochtoon is ook al niet meer fijn

We horen allen landgenoot te zijn

Sinterklaas piekerde en dacht

Dit had hij na al die jaren niet verwacht

Zelfs de VN bemoeit zich er nu mee

Met een Jamaicaanse onderzoeker nota bee

Zij moet er nodig wat van zeggen

Die heeft zelf wel wat uit te leggen

Die ligt zelf zo stoned als het maar kon

Dagen in de Jamaicaanse zon

En dan nu een beetje kritisch zijn

Met veel en vreselijk venijn

De Sint dacht, ik bedoel het goed

En zij vind nu dat ik pleite moet

De Sint te voet en Piet in kleur

Sint vind het allemaal gezeur

De gedachte achter ‘t hele feest

Is altijd voor de kinderen geweest

En kinderen zijn niet xenofoob

Die gooien iedereen op een hoop

Die zien zelf in de klas

Alle kleuren en ieder ras

Men wil nu vele kleuren Pieten

Sint vind het een idee om op te schieten

Want wat gemeen toch voor dat kind

Dat straks zeggen moet “’K ben kleurenblind’

Vruchtbaar gesprek

10 Okt

“Ja, maar ik vind u nog wel jong”.

“Dokter, ik ben 38. Ik heb nu 2 kinderen. Ik wil geen 2e leg. This is it. Afknopen. Ik wil officieel kunnen bevestigen nooit meer voor een nieuwe telg luiers te hoeven kopen”.

“Goed dan. Maandagmorgen 9 uur”. Het bleek een vruchtbaar gesprek voor mij.

Stond ik dan, maandagmorgen 9 uur. Afdeling Urologie. Achter een man van een jaar of 76, die enigszins bedremmeld een potje met uitermate donkergeel vocht op de balie zet en iets mompelt van dat ‘ie gelijk naar de fysio moet, omdat hij te lang bij de pot had moeten staan.

“Ah. Meneer McSchee, u komt voor de vasectomie”. De zusters drommen even samen, want eindelijk weer eens wat jonger vlees in hun urologsiche afdelingskuip.

“Ja, klopt mevrouw”. “

“Neemt u maar gelijk hiernaast plaats. De zuster komt zo bij u”.

Ik stap een badkamerachtige ruimte in. Wit betegeld. Wastafel. Raam wat uitkijkt op het dak van de garage. Paar stoelen. Dan zwaait de deur open. Ik sta er met mijn rug naartoe. Net voor ik omgedraaid ben hoor ik een zusterstem zeggen dat ik alles onder de gordel moet uitdoen, bovenkant mag aanblijven. Ik ben bijna omgedraaid en zie nog net een lange blonde staart weghaasten. Enigszins bedremmeld kijk ik naar de deur. “U mag uw sokken aanhouden” hoor ik tussen een kort open en dichtgaan van de deur. Sta ik dan. Schoenen uit, sokken aanhouden. God, ongelofelijk. Altijd maak ik goede sokkenbolletjes. Uitgerekend vandaag 2 verschillende sokken. Hebben de dokter en zuster wat om over te kletsen in de koffiekamer, denk ik dan maar. “Wat wij hadden. Man 2 verschillende sokken. Ach ja. De ene bal hangt ook altijd lager”. Zoiets.

Broek uit. Boxer uit. En nu? Wat te doen? Blijven staan. Kan. Waar laat ik mijn handen? Op mijn rug en dan geïnteresseerd naar de poster met Latijnse benamingen kijken? Voor mijn lijdend voorwerp? Zal ik gaan zitten? Ik besluit te gaan zitten. Oh, ik had het kunnen weten! Eikel!. Plastic stoelen. Lul dat ik er ben. Hij was al maatje koud water van de spanning en nou staat er van de kouwe stoel ook nog kippenvel op. Diep ademhalend en denkend aan brede rivieren die traag door oneindig laagland gaan trekt het kippenvel langzaam weg.

“Komt u maar binnen”. Ik schrik ervan. De staart is vervangen door donkerbruin haar in een scheiding met een bril. “Gaat u maar liggen. En ontspant u maar”. Ik ga liggen. Dan komt de staart binnen met een groen doek met een gat erin. Het gat laat de kroonjuwelen bloot, de rest bedekt de rest. Ja joh, richt nog effe de spot er op. Ik besluit om maar naar het plafond te kijken. Dan schiet een siddering door mijn lijf. De jodium! De staart heeft de jodium uit de koelkast gehaald en smeert het lijdend voorwerp er mee in. Kon dat niet eerst in de magnetron? Nee, zie ik, het zit in een stalen schaaltje. Dat mag dus niet.

Dan voel ik een berubberde handschoen mijn zakie optillen. De scheiding kijkt me aan, houdt een naald schuin onder mijn ballen en terwijl hij vraagt “Wat doet u eigenlijk voor werk” prikt hij hem in datgene wat door de verdoving langzaam in een meewerkend voorwerp verandert.

Langzaam laat ik de ontspanning door mijn lichaam trekken. Ik geef me eraan over. “De ballen”, denk ik nog. Als we klaar zijn word ik terug de douche-achtige ruimte ingestuurd. Ik was zo goed als kwaad de jodium eraf en hijs me in mijn broek. Als ik dan de wachtkamer inloop, moet ik plaats nemen. Ik mag niet zelf naar de dagbehandelkamer lopen. Dat gebeurt door een broeder met een rolstoel die mij onder begeleidende meewarige blikken van “wat triest, die man in die rolstoel” en mijn denken “NEEHEE. Ik kan gewoon lopùùùn” de lift inrolt en nog net niet eruit kiepert bij mijn bed.

Na een uurtje te oude magazines gelezen te hebben, roept de volgende zuster mij bij haar. Of ik mijn broek wil laten zakken. Zuster, kom op. Ik ben net geopereerd. Nee, ze wil kijken of ik niet bloed, ik mag naar huis. Oh, dat verandert het zaakje.

“Vergeet u niet ter controle uw 20ste ejaculatie in te leveren”. Neenee, komt goed.

Al met al, na een vruchtbaar gesprek een niet vruchteloze dag waar ik onvruchtbaar uitgekomen ben, maar waar ik nu wel de vruchten van pluk.